getrouwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·trouwd
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: trouwen…
verbogen vorm: getrouwde

getrouwd

  1. voltooid deelwoord van trouwen
     Ik heb nooit alleen gewoond, ik ben altijd met anderen op pad en ik ga met mijn gezin op vakantie of met vrienden een weekendje weg. Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.[1]
Spreekwoorden
  • zo zijn we niet getrouwd
    dit is niet volgens de afspraken
stellend
onverbogen getrouwd
verbogen getrouwde
partitief getrouwds

Bijvoeglijk naamwoord

getrouwd

  1. een echtpaar vormend
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be