getrippel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·trip·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getrippel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getrippel o [1]

  1. aanhoudend je met snelle, kleine pasjes voortbewegen, zoals kleine diertjes dat doen
    • Een muis, dat is getrippel in de nacht, of een bruine flits zodra het licht aangaat. En daarom griezelen wij mensen eerder van deze diertjes dan dat we van ze genieten. En als ze dan ook nog je aardappels oppeuzelen... [2] 
    • U verstaat het goed: er breken dolkomische dagen aan voor deze Happy singles van VTM. Hilarische misverstanden, bronstig getrippel, onverwachte bezoekers, mannen die nog dommer zijn dan vrouwen, vriendschap die zo onvoorwaardelijk is dat ze draagsters van luipaardprints verzoent met tuinbroekfanaten. [3] 
    • Opmerkelijk hoe Elsschot beschreef dat de komst van de kleinkinderen meer zin gaf aan het leven. Het had zijn vrouw weer doen stralen en nieuwe energie bij hem opgewekt. ‘Haar sloffen werd opnieuw een getrippel en haar geklaag een hooglied. En ikzelf heb mij opgericht als om tot grote daden over te gaan.’ Zou dat een verklaring kunnen zijn waarom een groot deel van Elsschots oeuvre geschreven is na de geboorte van zijn eerste kleinkind? [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad 01-10-2010 Muis
  3. De Standaard 12 APRIL 2008 (kdo) Happy singles (3/20)
  4. De Standaard 28 FEBRUARI 2015 OM 03:00 UUR | Geert Bourgeois Goede kaas moet rijpen