getik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·tik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getik o [1]

  1. aanhoudend een tikkend geluid maken
    • Ik word gek van het getik van klok. 
    • Op de Utrechtse regioredactie mag ze aan de slag als telexiste, die is toch nodig. Met de telex worden artikelen naar de eindredactie in Amsterdam ‘gefaxt’. „Een vreselijke herrie maakte dat ding, het getik klonk door het hele gebouw.[2] 
  2. aanhoudend typen
    • Gisteren zat ik met de computer op schoot in de stiltecoupé. Dat was dan fijn aan deze tijd; je hoefde niet zoals vroeger te wachten tot je ergens was om actief te worden. Ik moest een heel stuk tikken en tikte de ene zin na de andere. Het ging, excuus voor de woordgrap, eigenlijk als een trein. Net toen ik dacht dat ik misschien vaker met mijn laptop in zomaar een trein moest stappen, meldde zich een medereiziger. Hij probeerde zich te beheersen, maar aan alles was te zien dat hem dat grote moeite kostte. „Dat getik. Ik heb al sinds Amersfoort last. U haalt me totaal uit mijn concentratie. Dit is een stiltecoupé”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Anne Corré 10 maart 2017
  3. NRC Marcel van Roosmalen 1 december 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be