getetter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·tet·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getetter
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getetter o [1]

  1. aanhoudend luid en snel gepraat; aanhoudend lawaai
    • Bij het netwerk van Van den Hooff stuurt iedere gebruiker constant informatie naar iedereen. Een deel daarvan is echt, een deel is nep. Alle pakketjes zijn even groot. Daardoor komt er zo veel verkeer op het netwerk, dat een aanvaller door de bomen het bos niet meer ziet. Hij wordt bedolven onder ruis en getetter. Dat bracht Van den Hooff en zijn collega's op de naam: Vuvuzela. Die Zuid-Afrikaanse toeter was bij het WK voetbal in 2010 overal te horen en maakte sommige kijkers horendol. [2] 
    • Nederland in rep en roer, iedereen een mening en het onderwerp van getetter, Djelisa, had er niets, maar dan ook niets over te zeggen. Arme meid. Hoe praat je dat later recht bij je vriendje, je schoonouders of je werkgever? Je kan er dan wel niets aan doen dat je ouders dit voor je besloten, maar het staat wel voor eeuwig op jóuw levens-CV! [3] 
  2. aanhoudend luid en schel geluid van een blaasinstrument
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen