getalm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·talm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getalm
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getalm o [1]

  1. getreuzel, getwijfel
    • Sinds 2012 zijn 17 Keniaanse atleten geschorst voor het gebruik van prestatiebevorderende middelen. 'Het getalm is frustrerend. Meer dan een jaar geleden hebben we gevraagd om een rapportage, maar ik zou niet weten hoever ze zijn met hun onderzoek', zei Rodney Swigelaar, hoofd van het Afrikaanse bureau van het WADA, tegen de Britse zender. [2] 
    • Zondag vroeg leek het nog een proefballonnetje, maar na het Brusselse marathonoverleg stond het er echt, zwart op wit. De Grieken moeten als de wiedeweerga 50 miljard euro aan staatseigendommen verkopen. Getalm wordt niet meer gepikt. [3] 
    • Maandenlang achter elkaar bleef Lodewijk Asscher maar beweren dat hij nog niet wist of hij op zou gaan voor het PvdA-lijsttrekkkerschap. Het getalm kwam hem zelfs op een sneer te staan van premier Rutte. Zijn tegenstrever Diederik Samsom wist echter allang beter. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen