gespuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·spuis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geboefte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gespuis -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gespuis o

  1. lieden van laag allooi
    • Ik wil niets met dat gespuis te maken hebben. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen