gesnurk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

het gesnurk van een man
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·snurk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesnurk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesnurk o [1]

  1. het zware gesnuif in de slap
    • ‘Hoe zachtjes verspreidt Morpheus zijn maanzaad over de vermoeide landman als die zijn grond en zijn vrouw heeft ingezaaid! Hij zal weldra een nieuwe wijze van voelen ervaren in de volmaakte zelfvergetelheid die wordt aangekondigd door luid gesnurk.’ [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen