gesmeerd

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·smeerd
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: smeren…
verbogen vorm: gesmeerde

gesmeerd

  1. voltooid deelwoord van smeren
    • De remmen zijn gesmeerd. 
     'Maar vind je de weg, ik bedoel, iemand moet je toch opvangen en helpen?' Hij verzekerde haar dat dat ook geen probleem was, hij kende het gebied en de leider van de lokale verzetsbeweging, Julien Sorel, was zijn oom en alles zou gesmeerd gaan.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. gesmeerd op website: Etymologiebank.nl
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be