gesjor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sjor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesjor
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesjor o

  1. het aanhoudend rukken en trekken aan iets (vaak kleding)
    • Dion Malone maakte de Haagse taak extra zwaar, naar later bleek onmogelijk. De rechtsachter kreeg in 2 minuten tijd twee keer geel. Gesjor aan het shirt ban Brian Linssen werd hem noodlottig. [1] 
    • Maar het mooiste theater komt bij het oneindige gesjor en geduw. Na een tikje in de zij wordt bij de val het hoofd gegrepen alsof er een schedelbasisfractuur is ontstaan. Iedere paar minuten ligt er wel weer een creperende voetballer, die na wat tijdgerek, drie passen hinkelen, weer vrolijk doorhuppelt. Het fenomeen kusje erop en klaar, ga maar weer spelen, werkt heel goed in voetbal. Misschien moeten we dit doorvoeren naar ons ziektestelsel, gaat allicht een hoop kosten besparen. [2] 
    • De vrouw, Selina de Groot, schreef dinsdag op haar Facebookpagina: "Ik ben vannacht van mijn fiets getrapt door twee jongens. Daarna werd mijn gezicht op het fietspad gedrukt, waardoor de hele rechterkant opengeschaafd is en kreeg een klap op mijn wenkbrauw. Ik werd daarna aan mijn nek omhooggetild, kreeg een mes op mijn keel en vervolgens werd er aan mijn kleren gesjord." [3] 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Tubantia 31-08-13 Heracles haalt opgelucht adem na zege op zwak ADO
  2. De Telegraaf MARGO STOLS 08 nov. 2012 LEZERSMAIL: Sportief
  3. De Telegraaf 18 okt. 2014 Brute aanval op fietsster Heerhugowaard