gesjok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sjok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesjok
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesjok o

  1. aanhoudend langzaam en slepend met de voeten lopen of rennen
    • Zijn dribbels zijn namelijk nog geniaal. Nu kwam hij steeds in het midden van het veld aan de bal, ver van het doel. Het liep voor geen meter bij die ploeg en dan gaat het gesjok van Messi ook opvallen.’’ [1] 
    • Moe van het gesjok? Vaar dan een stukje mee met de ’hop on, hop off’-watertram en beleef de stad vanaf de grachten. [2] 
    • Het gesjok terug naar het tafeltje voor een slok water werd Van Barneveld bijna te veel. Alle fut was eruit. En toch – opeens, in geslagen positie – vond hij ergens de veerkracht om nog drie sets te winnen. [3] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia Daniël Dwarswaard 01-07-18 ‘Buiging voor Messi en Ronaldo, maar einde tijdperk is in zicht’
  2. De Telegraaf KIM DE KLONIA 25 mrt. 2017 ’Met alle lichtjes is Gent ’s nachts op zijn allermooist’
  3. NRC Wilfried de Jong 4 januari 2016 Barney