geselen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geselen
geselde
gegeseld
zwak -d volledig

Werkwoord

geselen

  1. overgankelijk iemand met een zweep of gesel tuchtigen
    • De gevangen werden genadeloos gegeseld. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

geselen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gesel
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] andere katten te geselen hebben
    iets anders (dringend) om handen hebben

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be