geselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geselen
geselde
gegeseld
zwak -d volledig

Werkwoord

geselen

  1. (overgankelijk) iemand met een zweep of gesel tuchtigen
    De gevangen werden genadeloos gegeseld.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

geselen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gesel
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie