geschiet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·schiet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geschiet
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geschiet o [1]

  1. het herhaaldelijk schieten
    • Maar na het horen van de geluidsbanden, zegt 5E niet te kunnen plaatsen wat op zijn locatie in de trein precies gebeurde, waar de stemmen het over hadden en van wie ze waren. Hij vindt ook dat het geschiet lang duurt op de band, terwijl het in zijn herinnering „maar een paar seconden was´´. [2] 
    • Vanuit het Radisson Blu hotel in Bamako klonken vanochtend twee explosies en „behoorlijk wat geschiet”. Dat zegt Jan Paul Hogervorst, een Nederlander die op 250 meter afstand van het hotel woont.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 26 sep. 2017
  3. de Telegraaf 20 nov. 2015