geruisloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ruis·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geruisloos geruislozer geruisloost
verbogen geruisloze geruislozere geruislooste
partitief geruisloos geruislozers -

Bijvoeglijk naamwoord

geruisloos

  1. zonder geluid te maken, geluidloos
  2. zonder veel aandacht te trekken
    • de maffia bleek in staat zijn tegenstanders op geruisloze te laten verdwijnen 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.