gerucht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·rucht
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel ge-
enkelvoud meervoud
naamwoord gerucht geruchten
verkleinwoord geruchtje geruchtjes

Zelfstandig naamwoord

gerucht o

  1. lawaai; een klein geluid
    • Het was in het tuintje stampvol zacht gerucht van allerlei groeisel bewegend in een zwakke nachtwind. [1]
  2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
    • "Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan heeft de kraan open laten staan" is een lied over een gerucht. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. blz 313, Verzameld werk deel 7
    door Ferdinand Bordewijk
    Uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar, 1985 ISBN 90-236-6693-3