gerotzooi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·rot·zooi
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gerotzooi
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gerotzooi o

  1. onduidelijk rommelen, klooien en flikflooien
    • Wat dat is? Mode op de dansvloer, dus gerotzooi met de heupen. Ooit was het de twist. In de jaren tachtig werd het bumpen. Nu is het dus twerken: de vrouw schokt met haar billen. Miley wiebelde aldus tegen het kruis van haar danspartner. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Joyce Roodnat 12 oktober 2013