gepreek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·preek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gepreek
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepreek o [1]

  1. aanhoudend iemand of een groep van mensen vermanend toespreken; aanhoudend mensen de les lezen
    • En ook het gepreek, waar zijn vader zo beroemd om was, is hem niet vreemd: zo houdt hij een tirade tegen de Nigeriaanse regering, gevolgd door een liefdesverklaring aan marihuana ('plant the seed and let it grow').[2] 
    • Diezelfde politici zijn kennelijk vergeten, dat er veel essentiële overheids- en zorgtaken zijn overgeheveld naar de gemeenten. En, nu komt de beroemde aap uit de mouw: de goed opgeleide Nederlander heeft geen gepreek meer nodig van deze Haagse regenten.[3] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen