gepoch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·poch
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gepoch
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepoch o

  1. het voortdurend jezelf loven en prijzen
    • Een van zijn gerechtjes heette 'beschuit met zwarte muisjes', oftewel een brioche met kaviaar. Nu heb ik kaviaar eigenlijk altijd gepoch en dikdoenerij gevonden, maar dit beschuitje was toch niet te versmaden. [1] 
    • De Military van Boekelo is een topevenement in de regio. Ruiters komen graag en het publiek geniet van de wandeling en de drank. Maar het gepoch daarover van het bestuur begint zo langzamerhand de keel uit te hangen. Zoals elk jaar nam voorzitter Robert Zandstra na de cross het woord en vertelde weer in alle beschikbare talen hoe ‘goed’, ‘nice’ en ‘schön’ het in Boekelo allemaal was. [2] 
    • Misschien heeft u wel een hekel aan al dat gepoch en houdt u zich verre van die profileringsdrang, bovendien: u hebt het druk genoeg om uw werk goed te doen, dat zien mensen toch ook? Kortom: wat doet u om te laten wie u bent en welk talent u bezit? Of vindt u het allemaal maar overdreven en houdt u zich er verre van? [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia Ronald Giphart 02-01-18 De culinaire orgasmes van 2017
  2. Tubantia 09-10-06 Over het gepoch van het militarybestuur
  3. Tubantia Marthy Rothe 14-03-11 POLL: Wie carriere wil maken moet zich profileren