geplas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·plas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geplas
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geplas o [1]

  1. het voortdurend urineren
    • Aan de rand van het feestterrein stonden zelfs mobiele toiletunits voor de mannen. "Dat is beter dan het geplas in de bosjes", zegt medeorganisator Hans Rikhof van evenementenbureau HR Sound. [2] 
    • Een van de smartelijke gevolgen was dan ook dat de toiletjuffrouw onnoemlijk meer euro's verdiende aan het geplas van de passanten dan ik aan hun belangstelling voor mijn boekje. [3] 
    • Van Dam wordt gek van het gekrijs en geplas in zijn buurt, vooral 's nachts. De acties van Ai!Amsterdam en de horeca in de Jordaan zetten het stadsdeelbestuur onder steeds grotere druk. Met als doel: vrijheid, blijheid, minder regels, meer plezier. En de bewoners? Die worden steeds verder weggedrukt in de strijd voor een leefbare en gezellige Jordaan. Dat moet anders. Zoals het nu gaat, wordt roofbouw gepleegd op onze Jordaan. [4] 
  2. het voortdurend morsen met water

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen