gepensioneerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·pen·si·o·neer·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iem. die pensioen trekt’ voor het eerst aangetroffen in 1814 [1]
  • afgeleid van gepensioneerd met het achtervoegsel -e [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gepensioneerde gepensioneerden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepensioneerde v/m

  1. iemand die zich teruggetrokken heeft van de arbeidsmarkt
    • De gepensioneerde werkte hard aan het wikiwoordenboek, maar verdiende daar geen geld mee. 
    • Veel gepensioneerden werken als vrijwilliger in verpleeghuizen. 
Vertalingen

Deelwoord

gepensioneerde

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord gepensioneerd van pensioneren

Bijvoeglijk naamwoord

gepensioneerde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van gepensioneerd

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen