generalisme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ne·ra·lis·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord generalisme generalismen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

generalisme o

  1. het beoefenen van een tak van wetenschap als geheel
Antoniemen

Gangbaarheid