genenpoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·nen·poel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord genenpoel genenpoelen
verkleinwoord genenpoeltje genenpoeltjes

Zelfstandig naamwoord

genenpoel m

  1. (biologie) de genetische variatie die bestaat binnen een bepaalde populatie
     De Bengaalse tijger wordt ernstig bedreigd door een 'opdrogende genenpoel'. Dat berichtte de krant Times of India maandag.[1]
     Het is niet meer nodig om zeldzame en bedreigde reuzenpanda's te vangen voor het fokprogramma in China. Dat concluderen wetenschappers na een ontdekking bij onderzoek naar de genenpoel van de dieren.[2]
     Op de nieuwe website van Edelbroek zijn in ieder geval nog de drie plannen te vinden die eerder zoveel media-aandacht kregen. Edelbroek wil nog steeds een genenpoel in een baan rond de aarde laten vliegen, die als back-up moet dienen bij een aardse catastrofe.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Krimpende genenpoel bedreigt Bengaalse tijger” (20-05-2013), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron “'Vangen reuzenpanda's niet meer nodig'” (23-07-2014), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Merlijn van Dijk “Bevalling ruimtebaby uitgesteld: bedenkers bedrijf na paar maanden alweer uit elkaar” (17-05-2019), Tubantia