genealoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·nea·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord genealoog genealogen
verkleinwoord genealoogje genealoogjes

Zelfstandig naamwoord

genealoog m

  1. (beroep) iemand die de afstamming en verwantschap van families naspoort
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen