gemopper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mop·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemopper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemopper o

  1. het telkens klagen uit ontevredenheid of misnoegen
    • De leraar was het gemopper van zijn leerlingen beu, ze moeten gewoon harder werken dan halen ze heus wel goede punten. 
    • De relatie tussen Specsavers en de verzekeraars is wat precair, aangezien de opticien/audicien consumenten aan het einde van het jaar steevast oproept een ‘gratis’ bril of hoortoestel te laten aanmeten als het eigen risico al verbruikt is. Ieder jaar levert dat weer gemopper op bij de verzekeraars. Specsavers moppert op zijn beurt over nieuwe spelers op de markt die klanten aanmoedigen een gratis oogmeting bij Specsavers te laten uitvoeren en vervolgens het montuur en de glazen bij hén te bestellen. Online brillenketens werken zo, zegt Berkel, maar hij noemt ook Eyelove, met verkooppunten in Dio-drogisterijen. „Die partijen bieden geen oogzorg”, stelt Berkel. Hij sluit niet uit dat hij uiteindelijk alsnog de kosten voor de oogmeting in rekening gaat brengen voor klanten die hun bril vervolgens online bestellen. „Ik wil dat liever niet, maar als de situatie onhoudbaar wordt, ben ik daartoe gedwongen.” [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Barbara Rijlaarsdam 16 januari 2017
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be