gemoedelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

gemoedelijk aan het picknicken
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·moe·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘genoeglijk, gezellig’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1]
  • afgeleid van gemoed met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemoedelijk gemoedelijker gemoedelijkst
verbogen gemoedelijke gemoedelijkere gemoedelijkste
partitief gemoedelijks gemoedelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

gemoedelijk [3]

  1. vriendelijk en gezellig
    • Voor een vriend gaat geen omweg te ver, zei vorst Vasili, op zijn gewone snelle, zelfverzekerde en gemoedelijke toon. Dit is mijn tweede zoon, ik hoop dat hij op uw genegenheid mag rekenen. [4] 
    • Gemoedelijk, ontspannen en vooral erg Brabants was het feestje voor de koning in Tilburg met Roy Donders, Nol Havens en Guus Meeuwis.[5]  
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen