gemelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·me·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van 'geme' (grap, grol) met het achtervoegsel -lijk [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemelijk gemelijker gemelijkst
verbogen gemelijke gemelijkere gemelijkste
partitief gemelijks gemelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

gemelijk [2]

  1. slecht van humeur, niet vriendelijk gestemd, knorrig, misnoegd, slechtgehumeurd
    Hij was in de gemelijkste bui in jaren.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal