geloei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·loei
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geloei
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geloei o [1]

  1. het aanhoudend een luid geluid maken dat lijkt op dat van een koe
    • Een verslaggever van ITV, die als een van de eersten ter plaatse was, zag een man zijn echtgenote ondersteunen. ,,Toen ze zich omdraaide, schrok ik me rot: haar shirt was rood van het bloed.” Druppelsgewijs kwamen meer van zulke gruwelijke details naar buiten. Het onafgebroken geloei van sirenes maakte de sfeer grimmig. [2] 
    • Dawson Tamatea werkte bijna dertig jaar op de Palmerton North Boys High School in Nieuw-Zeeland. Hij gaf onder andere lichamelijke opvoeding en wiskunde. Op de video is te zien hoe duizenden scholieren in uniform vol overgave de haka uitvoeren voor hun geliefde leraar. Zodra de dans is afgelopen passeert de lijkwagen de groep. Het geloei en geschreeuw van de scholieren maken plaats voor een doodse stilte. [3] 
    • Door de boxen nog steeds het hartverscheurende geloei. De baby is een ongewenst bijproduct dat straks als lap vlees in het koelvak van de supermarkt ligt. Het koelvak naast de zuivelsectie waar de melk in pakken wordt verkocht. Melk dat eigenlijk bedoeld was voor hem… [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen