gelik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gelik o [1]

  1. het aanhoudend ergens met de tong overheen wrijven
  2. liefkozing met de tong
    • Op sommige foto's is ze schaars gekleed, op andere naakt. Een mijlpaal in haar carrière, noemt ze de blootfoto's. "Ik had niet eerder naakt geposeerd en was er ook behoorlijk zenuwachtig voor. Ik wilde absoluut niet ordinair of hoerig overkomen. Dus geen gespreide benen of gelik aan tepels." [2] 
    • Over porno gesproken. Deze week verschijnt mijn nieuwe bundel Klein Gelijk en vlak voor het boek naar de drukker ging zag een attente medewerker van de uitgeverij dat er Klein Gelik op de rug van het boek stond. Het is nog net op het allerlaatste moment verbeterd. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen