gelijkvloers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk·vloers
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijkvloers -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

gelijkvloers o

  1. (bouwkunde) een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt, de benedenverdieping, de begane grond, de parterre
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelijkvloers gelijkvloerser gelijkvloerst
verbogen gelijkvloerse gelijkvloersere gelijkvloerste
partitief gelijkvloers gelijkvloersers -

Bijvoeglijk naamwoord

gelijkvloers [1] [2]

  1. op dezelfde hoogte als de begane grond
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen