gelijkstellen
Uiterlijk
- ge·lijk·stel·len
- samenstelling van gelijk en stellen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gelijkstellen |
stelde gelijk |
gelijkgesteld |
| zwak -d | volledig | |
gelijkstellen
- zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
- Een aanraking gelijkstellen met een verkrachting gaat misschien wat ver.
- ▸ Aan een nieuwe veiligheidswet voegden rechtse politici een amendement toe dat hennep de facto gelijkstelt aan cannabis. De plant mag nog wel geteeld worden voor de vezels en de bladeren, maar de bloemen mogen niet meer verkocht worden. "Economisch onhoudbaar", noemt de Calabrese ondernemer Mattia Cusani dat.[1]
- gelijke rechten toekennen
- Het homohuwelijk gelijkstellen aan een huwelijk tussen man en vrouw is voor het eerst gebeurd in Nederland.
- (wiskunde) twee wiskundige uitdrukkingen aan elkaar koppelen met een isgelijkteken om er een vergelijking van te maken
- Als de grondtallen hetzelfde zijn, kunnen we de exponenten gelijkstellen.
- Het woord gelijkstellen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron Heleen D'Haens“Hennepverbod Italië wekt verbazing: 'net zo gevaarlijk als een kerstomaatje'” (13 april 2025), NOS