gelijkmaker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk·ma·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijkmaker gelijkmakers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gelijkmaker m

  1. (voetbal) doelpunt gemaakt door de partij die één doelpunt achterstond zodat de stand nu weer gelijk is
    • Bij een stand van 0-1 wist de aanvaller net voor rust de gelijkmaker te maken. 

Gangbaarheid