geleide

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lei·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geleide geleiden
geleides
verkleinwoord geleidetje geleidetjes

Zelfstandig naamwoord

geleide o [2]

  1. het vergezellen, geleiden (van een persoon)
  2. de personen die iemand geleide doen
    • 'Je krijgt een geleide mee tot aan de grens van mijn rijk. Verder kunnen wij niet gaan. Al zou ik het nog zo graag willen. Wij Palettanen komen nu eenmaal niet in de Vallei der Dwaasheid.'[3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geleiden

geleide

  1. aanvoegende wijs van geleiden

Deelwoord

geleide

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord geleid van leiden

geleide

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord geleid van geleiden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 115