geleide

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lei·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geleide geleiden
geleides
verkleinwoord geleidetje geleidetjes

Zelfstandig naamwoord

geleide o [2]

  1. het vergezellen, geleiden (van een persoon)
  2. de personen die iemand geleide doen
    • 'Je krijgt een geleide mee tot aan de grens van mijn rijk. Verder kunnen wij niet gaan. Al zou ik het nog zo graag willen. Wij Palettanen komen nu eenmaal niet in de Vallei der Dwaasheid.'[3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geleiden

geleide

  1. aanvoegende wijs van geleiden
  2. verbogen vorm van geleid, voltooid deelwoord van geleiden
vervoeging van: leiden…
verbogen vorm: geleidee

geleide

  1. verbogen vorm van geleid, voltooid deelwoord van leiden

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. geleide op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 115
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be