gekrakeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kra·keel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekrakeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekrakeel o

  1. lawaai ontstaan door onenigheid
    • De voorzitter wist een eind te maken aan het gekrakeel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.