gekloot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kloot
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van kloten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt

Werkwoord

vervoeging van: kloten…
verbogen vorm: geklote

gekloot

  1. voltooid deelwoord van kloten
enkelvoud meervoud
naamwoord gekloot
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekloot o [1]

  1. gezeur, gedonder, ellende, gerotzooi
    • Hoe ze het vinden in de wijk? "Saai", antwoordt een jongen. Wat er zou moeten veranderen? Het wijkgebouw moet meer open zijn. Dan kunnen ze daar biljarten of tafelvoetballen. Dales belooft te kijken wat hij kan doen. "Maar dan moet er verder geen gekloot meer komen", waarschuwt hij. Als hij langs het wijkgebouwtje loopt, zegt hij dat het er treurig uitziet. "Die kinderen lijken me normaal. Gezagsgevoelig ook. Zag je hoe timide ze waren toen we bij hen stonden?" [2] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Karin de Mik 21 februari 2005
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be