geklieder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·klie·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geklieder geklieders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geklieder o

  1. het aanhoudend morsen en niet netjes werken
    • Persoonlijk vind ik make-up baking een handige techniek die een mooi en liftend effect creëert. Wél vergt het geduld, oefening én heel wat geklieder voordat je het onder de knie hebt. Maar als je de handigheid hebt, dan zorgt het voor een ultieme fotofinish.[1] 
  2. slordig schilderen
    • De gezichtsuitdrukking van het meisje met de parel geeft ook niet bepaald een indruk van gelukzaligheid. Een #metoo voorganger? Weg met die plaat. Van Goch museum? Je houdt toch zeker het geklieder van een gestoorde gek die zijn eigen oren afsnijdt niet in stand?[2] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf TOM SEBASTIAN 05 okt. 2015
  2. de Telegraaf 18 jan. 2018
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be