gekkigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gek·kig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekkigheid gekkigheden
verkleinwoord gekkigheidje gekkigheidjes

Zelfstandig naamwoord

gekkigheid v

  1. Dwaasheid, zotheid, idioterie.
    • Hij wist van gekkigheid niet meer wat hij moest doen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.