gekeutel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·keu·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekeutel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekeutel o

  1. aanhoudend zinloos gepraat
    • Om jongeren met een zwakkere positie op de arbeidsmarkt aan het werk te helpen, mogen werkgevers en scholen volgens De Boer best een stapje harder lopen. Zo wees hij erop dat veel allochtone jongeren nog moeilijker aan een stageplaats en een baan komen dan autochtone leeftijdsgenoten. „Veel scholen klagen dat ze geen budget hebben om hier iets aan te veranderen, maar dat zijn vaak ook instellingen waar niemand op de fiets springt om de stageplekken te vinden”, stelde De Boer. „En dat hele gekeutel over wel of niet anoniem solliciteren. Waarom zeggen werkgevers niet dat ze het gewoon doen? Daarmee geef je een signaal van: jongens, kom erbij. Dat is ook beter dan wanneer een betweter het in de Tweede Kamer regelt.” [1] 
    • Vijf jaar geleden werd het optreden van C-Mon & Kypski op festival Noorderslag in Groningen door muzieksite 3voor12 nog bestempeld als ‘hippie-hop’. Dat was niet positief bedoeld. Simon ‘C-Mon’ Akkermans (29): „We kwamen na het optreden thuis en lazen: ‘C-Mon & Kypski verliezen zich in eindeloos gekeutel.’” [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 17-01-2007 Taskforce hekelt houding werkgevers
  2. NRC Saul van Stapele 15 januari 2008 Muziekmix geliefd dankzij shuffle