geilkende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geil·ken·de

Werkwoord

vervoeging van
geilkenen

geilkende

  1. enkelvoud verleden tijd van geilkenen
    • Ik geilkende. 
    • Jij geilkende. 
    • Hij, zij, het geilkende. 

Verwijzingen