gehaspel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·has·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gehaspel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gehaspel o [1]

  1. het onhandig geklungel
    • Geestig: zijn vers Aan de vrouwtjes. "Toe, bespaar mij het gehaspel/ van het voorspel en het naspel." [2] 
  2. onhandig gepraat
    • „Ik koester niet de verwachting dat hij alle woorden uit zijn hoofd leert: het is moeilijk en Spaans is niet zijn moedertaal”, zegt de 39-jarige Fonsi over het gehaspel in het Spaans van Bieber. „Wees een beetje aardig voor hem”, voegde de latinozanger toe. [3] 
    • Na het gehaspel op de trappen van het Capitool, waar opperrechter John Roberts zich vergiste in de volgorde van de woorden van de eed en Obama hem foutief nazei, kozen de adviseurs van de president ervoor de beëdiging toch maar direct over te doen. Klachten of zelfs beroepsprocedures in een later stadium zouden heel onaangenaam zijn. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen