Naar inhoud springen

geh

Uit WikiWoordenboek
  • geh
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
hele vervoeging zie geh/vervoeging
onbepaalde
wijs
geh
verleden
tijd
(er) iss gange
voltooid
deelwoord
gange
enkelvoud meervoud
1e persoon ich geh mir / mer gehne, gehn
2e persoon du gehscht dihr / der
dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
geht
gehne
gehn, gehnet
gehn
gehne
gehne, gehn
3e persoon er geht sie gehne, gehn
sie geht
es geht

geh

  1. gaan
    «Mir sin aa in ee paar alde Karrichhoffe gange, die so alt waare, ass sie viel Graabschtee aus em 1700s ghatt hen!»
    We gingen ook naar een paar oude begraafplaatsen die zo oud waren dat ze veel grafstenen uit de 18e eeuw hadden.
  • danse geh
gaan dansen
  • schaffe geh
gaan werken
  • verlore geh
teloorgaan, verloren gaan, zoekraken

geh

  1. sterke verbuiging eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van geh