gegons

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·gons
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gegons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gegons o [1]

  1. het een aanhoudend laag brommend geluid maken
    • De paniek op de streep nam toe, het peloton naderde en Herbert & Maarten konden hun aandacht nauwelijks nog bij de wedstrijd houden. Het was korte tijd stil, zoals het wel vaker even stil is tijdens een wielerkoers. Maar deze stilte was anders. Het was een omineus gegons. Het gonzen van twee jongens die in alle stilte uit het raampje van hun commentaarcabine zijn geklommen om te helpen een bus opzij te duwen. [2] 
    • De akoestiek is perfect: je hoort het gegons van de stemmen, zonder te verstaan wat er gezegd wordt. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. HP de Tijd 30/06 | 2013 Geplaatst in de volgende categorieën: FRANK HEINEN Histoire de l’étape 1: een bus
  3. HP de Tijd 14/10 | 2013 door:Dries Muus HP/De Tijd presenteert: de grote Amsterdamse bioscopentest