gegiebel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·gie·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gegiebel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gegiebel o [1]

  1. aanhoudend, heimelijk lachen om kleinigheden (zoals gebruikelijk is tussen meisjes en jonge vrouwen)
    • Om één voorbeeld te noemen: wat is de zin van het gegiebel en de soms pikante opmerkingen die bijna dagelijks door omroepers worden gemaakt tijdens de –serieuze– uitzending op Radio 1 tussen twaalf en één?[2] 
    • Iedereen is dol op het zoete, bescheiden plattelandsmeisje dat goed kan voetballen en kirt bij het proeven van vers gerookte witvis. Het is onvermijdelijk om van Suzu te gaan houden. Voor de zussen, de kokkin, de coach en voor de kijker. Met elk shot van een herfstblaadje, een schooltas of gegiebel aan tafel, daalt de liefde ongemerkt dichter en warmer op je neer.[3] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.

Verwijzingen