gefrons

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·frons
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gefrons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gefrons o [1]

  1. voortdurend boos kijken door het rimpelen van het voorhoofd en het naar elkaar brengen van de wenkbrauwen
    • Zelf kon hij wel glimlachen om zijn imago als „steile, calvinistische Kees” met zijn „hardhouten kop.” In een interview zei hij eens droogjes: „Als ik ’s morgens voor de spiegel sta, kijk ik met enig gefrons naar mijn stuurse hoofd: Tjongejonge, wat moet er nu weer worden van de nieuwe dag. Van mijn gezicht word ik niet vrolijk, dus de rest van het etmaal probeer ik spiegels maar zoveel mogelijk te vermijden.”[2] 
    • Op de eerste zitting na de parlementsverkiezingen, eind juni, daagden de zeventien afgevaardigden van de ultralinkse partij La France insoumise (inclusief partijleider Jean-Luc Mélenchon) in het parlement op zonder stropdas en blazer. In plaats daarvan kozen ze voor polo’s en sweaters, wat dan weer voor gefrons zorgde bij de andere leden van de Assemblée Nationale, de Franse Kamer van Volksvertegenwoordigers.[3] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Pieter Jan Dijkman 30-12-2008 Kees van Dijk (1931-2008)
  3. de Standaard 20/07/2017 om 22:57 door edm Kledingvoorschriften in Franse Assemblée versoepeld