gedrum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

wild en langdurig gedrum
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·drum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedrum
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedrum o

  1. aanhoudend lawaai maken als bij trommelen
    • Onder luid gedrum en gezang weten ze Luna keer op keer weg te lokken van het schip van zijn belagers. Het is voorpaginanieuws in alle Canadese kranten. De vangstpogingen worden na twee dagen stopgezet.[1] 
  2. aanhoudend aandringen, 'op de trom slaan'
    • Bij nationale selecties voor wereldkampioenschappen ontstaat altijd gedrum van sponsors en politiek. Belgische selecties laten zich daarom vaak kennen aan verdeeldheid en struikroverspraktijken. Het is altijd een beetje hommeles.[2] 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Jet Bakels 2 september 2004 Wat wil de walvis
  2. NRC Hugo Camps 30 januari 2016 Superieur