gedrein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·drein
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedrein
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedrein o [1]

  1. op een vervelende, kinderachtige manier doen alsof je zielig bent, maar ondertussen op een dwingende manier je zin proberen door te drijven
    • Maar dat gedrein van: doe geen grote uitgaven en hou je geld in je zak, doet de vastgoedmarkt nog meer kwaad[2] 
    • Maar om over die positie te kunnen debatteren, moeten we het publieke debat terugveroveren op het geschreeuw, op het gesjoemel met woorden, op de opportunistische paaipolitiek die haar eigen beloften niet nakomt, op de spin, op de intimidatie, op het infantiele gedrein. Anders krijgen de puberpolitici, de haters, de wraakzuchtigen het voor het zeggen, anders laten we het debat geheel en al aan hen over.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf RENE VAN ZWIETEN 08 nov. 2012 Huis kopen
  3. NRC Bas Heijne 30 december 2016 Er is alleen nog maar toon, geen debat
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be