gedram

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dram
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedram
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedram o

  1. (het) aanhoudend, dwingend zeuren, zaniken, zeiken, aanhouden je zin proberen te krijgen op een vervelende manier
    • De PVV stelde al Kamervragen over de zaak. De tweede partij van het land spreekt over „D66-gedram”. De partij wil onder meer weten wat er gebeurt met NS-personeel dat weigert mee te werken.[1] 
    • Op een geblindeerde zetel werd Bent vrijdagavond even na tienen als een soort Tante Rikie, het boegbeeld van de Zwarte Cross, Holly’s binnengedragen. Omdat ze onherkenbaar bleef, konden er door de aanwezigen vragen worden gesteld over de identiteit van de nieuwe Bacchushoogheid. Vervolgens maakte de eerste prinses van de Eibergse carnavalsclub zich bekend. Samen met adjudante Reith zal Bent de leus ‘Geen gedram, we’j goat høkend verdan’ hanteren.[2] 
Synoniemen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen