gedijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dij·den

Werkwoord

vervoeging van
gedijen

gedijden

  1. meervoud verleden tijd van gedijen
    • Wij gedijden. 
    • Jullie gedijden. 
    • Zij gedijden.