gebruis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bruis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebruis
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebruis o [1]

  1. het zeer levendig zijn
    • Het contrast tussen het energieke gebruis rond het Esperidonplein en de armtierige publieke ruimte kon niet groter zijn.[2] 
  2. het geruis van een gas vloeistof mengsel
    • Aan de hoogste flanken van de bergen kleven donzige wolken, als uit elkaar gerafelde wattenproppen. Stil is de vallei niet: de Dora, vijfhonderd meter dieper, tolt gezwind naar beneden en het gebruis is tot hier hoorbaar. Een pompende ademhaling en het gekraak van de pedalen in de bochtjes komen daarbovenop.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 21/09/2012 door Hans Brems Glyfada Beach
  3. de Standaard 05 MAART 2011 Tim Vanderjeugd Op twee wielen tussen berg en dal