geboerte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·boer·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geboerte -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geboerte o

  1. (verouderd), soms (pejoratief) geheel van boeren, landvolk
    • "En zoo zal ik u vertellen over de wulpsche Salomea, dochter der Herodias, en zooals men haar dood alhier onder 't geboerte meedeelt, aan de oevers van Schelde en Dender, in 't weelderig land van Vlaanderen...." Zoo sprak, tijdens 'n guren winteravond, de ouwe doler Jorre, in eene polderhoeve, waar hij voor weken, om 't herstellen van visch- en vogelvangstnetten, en om 't breien van kousen en 't uitvoeren van allerlei andere winterbezigheid, onderdak en kost had gevonden. [2]
  2. (verouderd) boerenbedrijf, boerderij
    • Zoolang een geldgierige boer op zijn geboerte zit is hij preusch met zijn titel van boer, maar eens van zijn hof weg en te midden de eigenlijke burgerij, schudt hij, zooveel hij het vermag, den boer uit, doch behoudt zijn schraapzucht en is 't dat hij kinders heeft, die boven den boerenstijl rijzen, dan stellen dezen zich te weer, om hun boersch verleden te doen vergeten en worden de allergrootste misprijzers van boeren en boerenstand. Z'hebben geld gewonnen in 't geboerte en met behulp van dat geld, al waren ze zoo dom als een nuchter kalf en zoo stom als 't achterste van een koe, worden ze verwaand en kijken ze misprijzend de boeren de oogen uit den kop; ze zijn snobs, die steenezels. [3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

geboerte v

  1. variant van geboorte