geblesseerd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bles·seerd

Deelwoord

deelwoord
onverbogen geblesseerd
verbogen geblesseerde
vervoeging van
blesseren

geblesseerd voltooid deelwoord van blesseren

  1. vormt de voltooide tijden
    Hij had zich geblesseerd.
  2. (vrij zeldzaam) vormt de lijdende vorm
    Beide spelers werden door die ongelukkige botsing geblesseerd
  3. vormt een ergatieve constructie met het hulpwerkwoord raken
    Ze raakten allebei geblesseerd.
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    Hij is al een tijdje geblesseerd.
  5. attributief gebruikt
    De geblesseerde speler werd van het veld gedragen.
  6. bijwoordelijk gebruikt
    De speler werd geblesseerd van het veld gedragen.