geblesseerd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bles·seerd

Deelwoord

deelwoord
onverbogen geblesseerd
verbogen geblesseerde
vervoeging van
blesseren

geblesseerd voltooid deelwoord van blesseren

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij had zich geblesseerd. 
  2. (vrij zeldzaam) vormt de lijdende vorm
    • Beide spelers werden door die ongelukkige botsing geblesseerd 
  3. vormt een ergatieve constructie met het hulpwerkwoord raken
    • Ze raakten allebei geblesseerd. 
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Hij is al een tijdje geblesseerd. 
  5. attributief gebruikt
    • De geblesseerde speler werd van het veld gedragen. 
  6. bijwoordelijk gebruikt
    • De speler werd geblesseerd van het veld gedragen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.