geblèr

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·blèr
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geblèr
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geblèr o [1]

  1. (pejoratief) aanhoudend luidruchtig huilen, schreeuwen of zeuren
    • Er wordt ook gezongen, haast een spirituele ervaring. Geen etherisch gezang zoals in de gregoriaanse rite, meer het geblèr van de gereformeerde kerkdienst, zij het oneindig veel luider en minder harmonisch. [2] 
    • De experts van het Van Gogh Museum in Amsterdam hebben volstrekt gelijk niet zonder meer in te gaan op dat goedkope ’geschreeuw’ van Bogomila. Haar geblèr is ordinaire ’Bogus’: iets dat tijdelijk aandacht trekt maar weinig tot niets voorstelt, behalve een sneue poging tot beroemdheid en snel verdiend veel geld. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Anton C. Zijderveld en Mark van Ostaijen 16-01-12 'Godenzonen, het heilige gras en de verlosser: voetbal is een religie'
  3. De Telegraaf 22 nov. 2016 'Hoogleraar zit fout met Van Goghs'
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be